Belangrijke spellingsregels:

3e + 4e leerjaar

·         Als een woord in het ei-lied komt dan schrijf je het met ei:

Ik ga op reis met de trein zei de meid van het plein. In mei zoekt een geit klei in haar eigen wei. Het is geen geheim. Je vindt op de heide geen kleine kei, ook geenboot met een zeil. Einde!

·         Als een woord in het au-lied komt dan schrijf ik het met au.

Laura heeft de auto van de paus met blauwe saus overgoten. Ze pikte ook een veer van een mooie pauw. Dat vond iedereen wel flauw.

·         Aai, ooi, oei, schrijf je altijd aai, ooi, oei

·         Eeuw, ieuw, uw, schrijf je altijd eeuw, ieuw, uw!

·         Ch of g? Je schrijft meestal g. Uitgezonderd: lach, kuch, pech, zich.

·         Cht of gt? Na een korte klank altijd cht: Uitgezonderd: ligt, legt, zegt


 

  Wat moet je weten over de soorten klanken?

 

·         Er zijn drie soorten klanken: korte, lange en andere klanken.

·         korte klanken: a, e, i, o, u (Zatte, vette kippen stoppen bussen.)

·         lange klanken: Je hoort: aa, ee, oo, uu (Apen zweven over muren.)

·         andere klanken: ie, ei, ij, oe, eu, ui, aai, oei, r, k, t, m, z, …

 

4e leerjaar

 

Schrijf de woorden met –elen, -enen,- eren net als meubelen, tekenen en kinderen

 

- t of d? Verleng!

- ng of nk? Verleng!

- De meeste werkwoorden geven aan wat een mens, dier of ding doet. Sommige werkwoorden zeggen helemaal niet dat je iets doet: zijn, hebben, worden, mogen, kunnen, willen, lijken, blijken, schijnen

- bouwt, leer en wordt staan niet in een woordenboek. De vorm van het werkwoord die je in het woordenboek kunt vinden, noemen we de noemvorm of infinitief. De noemvorm vind je gemakkelijk door ‘ik zal…’ ervoor te plaatsen.

- De persoonsvorm vind je heel gemakkelijk door van de zin een ja-nee-vraag te maken. De persoonsvorm staat dan altijd vooraan.

- Het gebeurt nu: tegenwoordige tijd (t.t.)

- Het gebeurde vroeger: verleden tijd (v.t)

- Noemvorm: de vorm van het werkwoord met ‘ik …’ is de stam en eindigt op de kijkletter.